Op de vlucht

Ds. Chantal Schaap


KB2016.04-01Al geruime tijd, zien we elke dag beelden voorbij komen van mensen die op de vlucht zijn. Stromen vluchtelingen die proberen Europa te bereiken. In schamele bootjes zien we mensen aan wal komen. We zien mensen voor gesloten grenzen in OostEuropa staan, na een lange voettocht.

Een wereldwijd probleem, dat ook bij ons voor de deur staat. Een andere kant op kijken of hen wegkijken verandert daaraan niets. Het stelt ons voor grote vragen. Hoe gaan wij als mensen met elkaar om? Hoe gaan wij als christenen, als burgers, als medemensen om met de grote vragen rondom alle problemen in onze wereld? Hoe gastvrij zijn wij? Wat zegt de Bijbel ons daarover?

ln het oude Midden-Oosten was het gastvrij onthalen van een vreemde heel gebruikelijk. Wie een vermoeide wandelaar bij een put zag zitten, nam hem mee naar huis, want reizen was in die tijd een gevaarlijke onderneming. Zeker ‘s nachts moest je je niet buiten wagen. Eten, drinken en onderdak: je bood het aan, of je daar nu zin in had of niet. En waarom bood je het aan? Omdat jij weleens de volgende zou kunnen zijn die onderweg iets dergelijks nodig zou kunnen hebben. Toen en daar was iedereen op zijn tijd weleens afhankelijk van de gastvrijheid van een ander. Er zijn vele verhalen in de Bijbel terug te lezen die ons hier aan herinneren. Denk bijvoorbeeld aan Abraham die drie onbekende mannen uitnodigt in zijn tent en gastvrij onthaalt. Dit verandert zijn leven compleet. Wat als Abraham die drie mannen (onder wie God zelf!) niet had uitgenodigd, maar ze aan hun lot had overgelaten? ‘Houd de gastvrijheid in ere’, lezen we in de brief aan de Hebreeën, ‘want zonder het te weten hebben sommigen engelen ontvangen’. We kunnen er bang voor zijn dat er extremistische moslims

meelopen in de vluchtelingenstroom, maar er zouden ook weleens engelen tussen kunnen lopen. In het Oude Testament herinnert God zijn volk steeds weer aan het feit dat zij zelf ooit slaven waren, vreemdelingen in Egypte, door God bevrijd. Steeds weer die herinnering, zodat zij het niet vergeten. Deze verhalen werden opgeschreven en doorverteld, om het besef levend te houden dat vrijheid en veiligheid niet vanzelfsprekend zijn. Dat het met pijn en moeite bereikt is, niet enkel en alleen op eigen kracht, maar met Gods hulp. Deze verhalen zijn de sleutel tot empathie, medemenselijkheid en solidariteit. Voor christenen is de Bijbel de bron waaruit wij leven. We verbinden ons aan die woorden en worden uitgenodigd om er ook naar te handelen. Dat betekent dat we onze verantwoordelijkheid nemen, dat we zorg dragen voor elkaar, dat we medemenselijkheid tonen ten opzichte van mensen die geen andere weg meer zagen in hun leven, dan onze kant op te komen.

Jezus kwam als mens, als vreemdeling onder de mensen. Hij leefde in de wereld, maar hoorde hier niet echt thuis. Hij liet ons zien dat het van belang is wat we voor de ander doen. Wat we hebben gedaan voor de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, de gevangenen, de kwetsbaarsten in de wereld, de geringsten, dat alles hebben we voor hem gedaan. Dat die gastvrijheid van Jezus de bron mag zijn voor onze gastvrijheid. Want in die vluchteling, in de vreemdeling, in de kwetsbaarste mensen, ontmoeten wij wellicht Jezus zelf.

En zijn we eigenlijk niet allemaal op de vlucht?
Op de vlucht voor de rottigheid en ellende van het leven, op weg naar onze toevlucht: Gods eeuwige armen. Hoe mooi is het dan niet, dat wij voor de vluchtelingen die onze kant op komen, een toevlucht mogen zijn, dat wij onze armen mogen openen om hen te ontvangen en dat wij op die manier Gods armen mogen zijn voor onze medemensen!