Overdenking

Leven met God in Frankrijk


Ruth van der Waall-Schaeffer, juli 2021

Wonen in Frankrijk, dat moet toch wel geweldig zijn: ’leven als God in Frankrijk’. Zeker als één van je woonplekken te midden van wijngaarden en olijfbomen is, dan nader je toch het ‘Rijk Gods op aarde’. En wonen in de lichtstad is ook niet gek. Maar hoe is het om te leven en te werken mèt God in Frankrijk, met de erfenis van Calvijn die hier geboren is? Is dat wel mogelijk? Gaat het bourgondische leven samen met een calvinistische levensstijl?

Puntbaardje Als je aan Calvijn denkt, verschijnt als vanzelf zijn beeltenis op je netvlies: een oude man, mager, streng gezicht, puntbaardje. Geen type waar je gezellig een glas wijn mee drinkt. Een heel verschil met Luther: een rondborstige man die iets uitstraalt van een gezellige monnik met een biertje. Daarmee is tegelijkertijd een karikatuur geschapen van Calvijn. Calvinistische karaktertrekken zoals je die hoort en ziet in Nederland, zijn in Frankrijk niet aan de orde. Een calvinistische levensstijl? Niet hier. Woorden als zuinigheid, verhef je niet boven het maaiveld, op tijd naar bed, het vlees is zondig, zondagsrust… ik herken er niets van in al die jaren dat ik in het land van Calvijn woon. Een ‘bible belt’ is er evenmin. Het orthodoxe protestantisme kreeg in Frankrijk minder voet aan de grond dan in de lage landen.

Languedoc / inquisitie Hier zijn wij met ons gezin in 2002 neergestreken en het overgrote deel is van katholieke huize. Omdat men dus weinig of geen protestanten ontmoet, merk ik nog steeds – als ik weer even in het Zuiden verblijf – interesse in wat dat protestant zijn nu eigenlijk is: ‘Jullie hebben geen geloof in Maria hè?’ Over het celibaat zijn we het gauw eens, dat mag veranderen. En dat ik als vrouw als pastor/predikant werkzaam ben, op gelijkwaardige wijze, is iets wat vele RK geloofsgenoten graag in hun kerk ook zouden willen zien. Hoe ze me moeten aanspreken? ‘Madame le pasteur’ hoor ik meestal, soms zelfs ‘ma mère’ als variant op het katholieke ‘mon père’ tegen de pastoor. Opvallend is dat de (kerk) geschiedenis nog zo doorwerkt in dit deel van Frankrijk. Er is zoveel bloed gevloeid, de jaren van de inquisitie zijn niet vergeten. De oudere protestanten zijn zeer bewust van hun wortels en stralen dit ook uit. Er hangt in de huizen altijd wel een Hugenotenkruis of ze dragen een Hugenotenkruisje aan een ketting. In de kerkelijke gemeente van mijn jeugd, plus het gegeven dat ik in een sfeer van oecumene opgegroeid ben in de jaren 60 en 70, kwam ik dit symbool nauwelijks tegen. Toen ik belijdenis deed, kreeg ik zo’n kettinkje. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik het weinig draag. Kort voordat ik voor de ERN Parijs ging werken, leidde ik een begrafenis van een protestantse man in de RK dorpskerk. Zijn weduwe was RK. Zij koos omwille van haar man voor een ‘echt’ protestantse dienst ook al deed ik die samen met de pastoor. Die vond dit trouwens erg leuk want zoiets maakte hij niet elke dag mee. De kosteres vroeg wat zij allemaal weg moest halen van het altaar, want bij protestanten is immers alles leeg. Overigens mocht er van de familie geen paaskaars branden: dat was te rooms. Dat is hier in Parijs gelukkig anders! Tijdens de gedachtenisdienst kon ik goed zien wie wat was: de protestanten droegen een Hugenotenkruisje en de katholieken een medaillon met Maria- beeltenis. Calvijn zou met het laatste niet gelukkig geweest zijn. Na de begrafenis dronken we een glas wijn (nee, geen koffie met cake) en dàt was vast wel bij de reformator in de smaak gevallen. Volgens Calvijn had God de wereld met geen ander doel geschapen dan dat de mens er gelukkig zou worden en dat hield onder andere in: genieten van lekker eten en heerlijke wijn. “Mensen hebben weliswaar genoeg aan water, zei hij, maar God heeft toch wijn gegeven om ons vrolijk te maken.” We lezen het in zijn institutie. Calvijn was een bijbelkenner, dus dit had hij vast uit Prediker gehaald.

Museum Mocht u op vakantie zijn in de Languedoc, bezoek dan het ‘Musée du désert’ te Mialet. Het museum wil de geschiedenis herdenken en levend houden van de periode dat Lodewijk XIV in 1685 het ‘Edict van Nantes’ introk tot het jaar 1787 want toen werd het ‘edict van de tolerantie’ van kracht. In deze zgn. Woestijntijd mochten de calvinisten geen kerken bezitten, noch kerkdiensten houden. In het onherbergzame gedeelte van de Cevennen met vele grotten werden clandestiene diensten gehouden. Daar bevindt zich nu het ‘Musée du desert’.

Actuele waarden Het strenge, politieke regime was niet alleen van invloed op het religieuze leven, maar raakte tevens het bestaan van alledag. Veel Hugenoten vluchtten, o.a naar Nederland. Jaarlijks komen er zo’n 12000 protestanten naar ‘Le Désert’ voor de ‘Assemblée générale’. Het doel is het vieren van godsdienstvrijheid, zich bewust te blijven van de erfenis die men in 1789 (Franse Revolutie) ontvangen heeft: spirituele en culturele vrijheid en vrijheid van geweten. Vervolgens: hoe breng je deze waarden over, hoe ga je anno 2021 met de verworvenheden om. In een regiokrant Occitanië las ik : « les Protestants ont porté en France l’idée même de modernité : la promotion du libéralisme, de l’entreprenariat, la valeur du travail, la fin du despotisme, les idées de liberté et d’égalité des droits, l’accès à l’éducation des femmes et le droit à leur émancipation ou encore la naissance du concept de laïcité. » Uiterst actueel, lijkt me, in een Europa waar men deze waarden opnieuw moet onderzoeken in samenwerking met vertegenwoordigers m/v van andere godsdiensten. Hoe ga je om met de scheiding van kerk en staat nù? En kunnen de oorspronkelijke uitgangspunten van Luther en Calvijn in onze tijd nieuw leven ingeblazen worden met het oog op deze discussie? ‘L’esprit de résistance’ bestaat die nog?

Eigen geweten Doctrinaire regels van Calvijn zijn voor de protestanten in Frankrijk minder van belang dan in Nederland. Vrijheid van geweten en godsdienst zijn hier de kernwaarden. Daarmee zit je dicht bij Calvijn. Ook bij hem ging het beslist ook om je eigen geweten ten overstaan van God. Daar komt niemand en niets tussen.

Deel 2 over ‘Leven met God in Frankrijk’ verschijnt in de volgende Kerkbrief.

 


"Cent mille chansons"


Ruth van der Waall-Schaeffer, juni 2021

‘God slaapt in de steen, Hij ademt in de plant, Hij droomt in het dier en Hij ontwaakt in de mens’, dicht een Oosterse wijsgeer Rumi.
Gods Geest is in alles wat bestaat. In alles is Zijn Geest scheppend aanwezig: daardoor bestaat het. Sluimerend aanwezig in alles, ontwaakt God in ons. De mens is de plaats waar de Levende ontwaakt, waar Hij aktief wordt. Maar dit gaat niet vanzelf. De Levende wordt ook tegengewerkt.
De wereld waarin wij leven probeert ons te verleiden Hem te begraven in onszelf, Hem te bedelven onder wat wij belangrijk vinden. En dat is vaak slecht voor onze medeschepselen. Het eigenbelang groeit door tegen de Geest van de Levende in te gaan.
Dit loopt uit op Babelse toestanden. Voor mensen in Babel (‘wirwar’ betekent het) was dit het belangrijkste: ’Laat ons een toren bouwen, waarvan de top tot in de hemel reikt.’ Ze waren niet tevreden om hier op aarde alleen maar een plaats te zijn waar de Levende kan ontwaken in een aandachtig leven. Ze wilden naar Hem opklimmen, de hoogte in. Ze wilden niet ‘maar’ mens zijn. Ze wilden de Levende ontmoeten door de aarde achter zich te laten. Maar zo gaat het niet. Wij leven hier op aarde temidden van stenen, planten, dieren en mensen. En hier in ons gewone leven wil de Levende gevonden worden, als we Hem de kans geven in ons te ontwaken. In Babel zocht men het in de hemel in plaats van op de aarde, in de ijle lucht en niet in het lief en leed van de mensenwereld. Elkaar in de ogen kijken en dan zie je een mens, beeld van God.
Met die blik, die manier van kijken, houdt Babel op. Geen wirwar meer. Maar ontmoeting. Er zullen dan 100 000 liederen klinken zoals in 1968 Frida Boccara zong in haar lied ‘Il y aura cent mille chansons’:
Cent mille horizons devant nous / Partagés de bonheur
Tout étalés de nos coeurs… Et tes yeux et mes yeux / Dans un océan d’amour.


Prioriteit aan het leven


Ds. Ruth van der Waall-Schaeffer, mei 2021

In 2018 kreeg ik van mijn dochters het boekje ‘Vers une sobriété heureuse’ van Pierre Rabhi. Rabhi (1938) is schrijver, filosoof en ecologisch boer. Hij schreef dit ruim voordat het Covid-virus uitbrak. In het afgelopen jaar verscheen hij regelmatig in de krant of op tv met zijn getaand gezicht met lachrimpels. Op deze plaats wil ik iets van zijn gedachten ter overweging meegeven. “Laten we onze ogen openen voor wat er nù gebeurt, zegt hij. Angst verkleint ons bewustzijn. Het is belangrijk om naar een grotere luciditeit te neigen waardoor we inspiratie vinden om te doen wat we moeten doen, zodat het leven eindelijk iets anders is, iets anders dan strijd, oorlogen, verdriet… De mislukking van onze systemen is dat we op zoek zijn naar geluk en dat we moeite hebben om het te vinden. Wij hebben niet de fundamentele waarden, die ons na aan het hart liggen, de buitengewone voldoening die wij in het leven voelen. En ik (Rabhi) citeer vaak deze anekdote van de visser: hij zit daar op het strand, hij is klaar met zijn werk, hij droogt zijn netten, en hij is stil. Een zeer serieuze heer komt langs, bekijkt de visser en zijn boot en zegt: ‘Meneer, is deze boot van u?’ ‘Ja’, antwoordt de visser. ‘Maar hij is een beetje klein, vind je niet? Je zou een grotere kunnen hebben’. De visser : ‘En dan?’ De man: ‘En dan zou je meer vis kunnen vangen’. ‘En dan?’ ‘En dan vang je zoveel vis, dat je een grotere boot koopt, en dan neem je mensen aan, en vang je nog meer vis en dan rust je uit’. ‘Nou, dat is wat ik aan het doen ben’, zegt de visser.”

Pierre Rabhi blijft optimistisch en natuurlijk krijgt hij de vraag of we na deze crisis van Covid toch weer niet teruggaan naar hoe het vroeger was. “In de eerste plaats is er een tastbare factor, namelijk dat wat we ook doen, we op een dag naar de aarde zullen moeten terugkeren als we willen blijven eten, en dus leven. De aarde is primordiaal, het is de matrix van het leven, dus zullen we ernaar moeten terugkeren.
En dan is er iemand aan wie ik zeer gehecht ben die Jezus van Nazareth wordt genoemd. Hij zei dat alleen liefde de kracht heeft om de wereld te veranderen. Ik heb het niet over onze
kleine liefdes, maar over liefde in de ruimste zin, liefde voor de bomen, liefde voor de vogels, liefde voor alles, alles wat ons gegeven is. Als ik zie dat we walvissen en olifanten uitroeien, dan doet dat iets met me… Ik ben getroffen door het feit dat we niet hebben geweten hoe dat alles lief te hebben, we hebben ons neergezet als roofdieren met onze eigen belangen als enig doel, de smaak voor winst, voor profijt… Liefde is de enige oplossing.
De economie weer op gang brengen, enz. enz., dat is de prioriteit van alle regeringen. Hoe kunnen we degenen die ons leiden duidelijk maken dat we het paradigma moeten veranderen?
Het is vaak te laat, maar er is ook vaak nog tijd. Als ik tegen mezelf zeg, ‘Het is te laat’, dan blijf ik in bed. Maar als ik tegen mezelf zeg: ‘Ja, er is veel schade, maar er is nog hoop’, dan doe ik mee met wat zal helpen om de dingen op te lossen. We hebben een leven te leiden, het heeft zijn grenzen, maar ieder mens heeft een aanwezigheid op deze planeet, wat doe ik met dit kapitaal?”


Van kijken naar zien


Ds. Ruth van der Waall-Schaeffer, april 2021

Kijk mee met het altaarstuk
met opstandingsverhalen van Sieger Köder*

Een drieluik.
Op het linkerpaneel: Jezus’ verschijning aan Petrus bij het aanbreken van de dag aan het Meer van Tiberias (Johannes 21). Na Jezus’ instructies in Jeruzalem (Mattheüs 28:7, 10) was Petrus met enkele andere discipelen naar huis
teruggekeerd en, niet wetend wat te doen, had hij zijn visnetten weer opgehaald.
Dat kleine zinnetje van Petrus: ’Ik ga vissen’, raakt me steeds weer. Het leven van alledag moet weer opgepakt worden. Ook al is het nog nacht. En dat de anderen dan zeggen ‘We gaan mee’. Het overweldigende wat ze hebben meegemaakt, delen ze samen. Ze waren op het meer toen een man vanaf de oever riep: “Hebben jullie iets te eten?” Zij hadden het niet. De man zegt dat ze hun netten nog een keer moeten uitwerpen, aan de andere kant, en als ze dat doen, komt er een enorme vangst. Waarna Petrus uitroept: “Het is de Heer!” Petrus bedenkt zich geen moment, duikt het water in om naar Jezus toe te zwemmen. De anderen volgen met de boot. Ze grillen een deel van de vis en gaan zitten om te eten.
Samen eten is een teken van verbondenheid, eenheid, als een echo op de levensstijl van Jezus.
Het paneel verwijst ook naar een eerdere gebeurtenis. Petrus die over het water naar Jezus liep en vervolgens, toen het vertrouwen in Jezus op een dieptepunt was, zonk.
Hij werd gered worden door Jezus’ uitgestrekte hand (Matteüs 14:22-33). De zon bovenaan geeft aan dat de nieuwe dag aanbreekt. De helderrode ochtendzon is er ook op het rechter paneel. Ook daar een ontmoeting. Hier Jezus en Maria Magdalena bij het lege graf. In Köder’s weergave loopt Maria door een zee van klaprozen – een rode bloem die symbool staat voor het offer – en ze schermt met haar hand haar ogen af voor de schittering van Jezus de opgestane. Hij van wie zij aanvankelijk dacht dat hij de tuinman was, is in werkelijkheid haar dierbare vriend en Heer.
Als je goed naar sommige grafstenen kijkt, zie je dat ze de namen en/of data van oorlogen dragen: “1914-1918”, “1939-1945”, “Vietnam”, “Biafra”. De laatste twee woedden nog steeds toen Köder dit schilderde. De kunstenaar was krijgsgevangene tijdens de Tweede Wereldoorlog, en onder het kruis dat die oorlog symboliseert, staat een door kogels getroffen soldatenhelm. Dat zou ook de Hebreeuwse tekens kunnen verklaren. Wellicht drukt Köder er mee uit dat er nog steeds veel kruisen opgericht worden, de dood van rechtvaardigen… En ik moet denken aan het boek ‘De laatste der rechtvaardigen’ van André Schwarz-Bart.
Het middenpaneel van het altaarstuk beeldt de Emmaüsgangers af als een soort Transfiguratie zoals op de berg Tabor. Lucas vertelt ons dat Jezus na zijn opstanding verscheen aan Cleopas en een andere niet met name genoemde discipel, die op weg waren van Jeruzalem naar huis; hun harten “brandden in hen” toen hij sprak over de Schriften, maar hun ogen werden pas geopend voor zijn ware identiteit toen hij tijdens de maaltijd het brood zegende en brak. Op het schilderij van Köder is Jezus’ gedaante nauwelijks waarneembaar door de rode gloed – hij is eigenlijk een lichtzuil. Köder schildert hem in het rood, de kleur van bloed, van passie, van het leven. Je ziet de verwondering die de twee Emmaüsgangers gevoeld moeten hebben toen ze zich realiseerden met wie ze aten.
Jezus verschijnt tussen Mozes, die een mand met manna vasthoudt (Exodus 16), en Elia, die een raaf met een stukje brood in zijn snavel teder vasthoudt : een verwijzing naar het feit dat hij in de woestijn op wonderbaarlijke wijze door God gevoed werd (1 Koningen 17:1-7). De figuur rechts van Elia zou Paulus (Saulus) kunnen zijn die op de weg naar Damascus van zijn paard is gevallen.
De schilderijen van Köder drukken een herkenbare aardse theologische en spirituele interpretatie uit van zowel bijbelse als abstracte thema’s. In zijn werk zie je uitdaging, woede, humor en diepe tederheid. En al kijkend ga je zien en worden er snaren in jezelf geraakt.

*Sieger Köder, geboren in Wasseralfingen (Baden-Württemberg), was krijgsgevangene in de Tweede Wereldoorlog. Hij volgde een opleiding als zilversmid en schilder en werkte enkele jaren als leraar in een middelbare school. Op zijn 41ste ging hij theologie studeren in Tübingen en werd priester gewijd in 1971. Hij combineerde zijn roeping als pastoor met zijn werk als kunstenaar en maakte talloze schilderijen, altaarstukken en gebrandschilderde ramen voor kerken in en buiten Duitsland. Foto: St. Stephen’s Church, Wasseralfinge, Allemagne.


Deuren


Ds. Ruth van der Waall-Schaeffer, maart 2021

Waar woont God? Het zijn niet alleen kinderen die deze vraag stellen. Ik weet niet wat u zou antwoorden. De één zou misschien zeggen dat God in je hart woont, weer een ander gaat ervan uit dat de kerk het huis van God is. Salomo bouwde een tempel voor de Heer om er voor altijd Zijn Naam te laten wonen. Zou Salomo ook een naambordje op de deur gehangen hebben: hier woont God?! Volgens het bijbelboek Openbaring is de tempel maar iets voorlopigs, totdat de tempel als huis van God niet meer nodig is.

Dat doet me denken aan een joods verhaal. De rabbi van Kotzk verraste enkele knappe geleerden eens met de vraag ‘Waar woont God?’ Ze lachten hem uit! Zo’n gemakkelijke vraag! En er kwam geen antwoord. De rabbi gaf toen zelf maar het antwoord: ‘God woont waar je hem binnenlaat’. Alle Bijbelboeken spreken van het verlangen van God om bij ons mensen te wonen. Hij is een mensengod, wil bij ons in de buurt zijn, in onze stad, in onze straat, in ons huis. Maar wat betekent dat dan als we God binnenlaten om bij ons te wonen? Durven we dat eigenlijk wel? Want als we Hem binnenlaten in onze stad, dan moeten we zijn licht laten schijnen op muren van beveiliging die nieuwe muren van geweld op roepen. Als we God binnenlaten in onze straat, dan moeten we zijn licht laten schijnen op onze buren die een andere huidskleur hebben. Als we God binnenlaten in ons huis, dan moeten we zijn licht laten schijnen op de mensen met wie we wonen, met andere ogen naar hen gaan kijken. God binnenlaten heeft te maken met een thuis maken voor elkaar, waar een mantel om je heen geslagen wordt. Gaan onze deuren open of houden we hen dicht?