Zingend geloven

Het verbaasde me niet dat lied 715 “Zoals de halmen buigen in de wind” geschreven is door een Fransman, de dichter-predikant Henri Capieu (1909-1993). Als ik naar mijn huis in Zuid-Frankrijk rijd, doorkruis ik een heuvelachtig landschap met eindeloze velden waarop haver, rogge, tarwe groeit. Dat zie je niet meer zo in Nederland. Capieu gebruikt concrete beelden uit de natuur om zichtbaar te maken waar het om gaat in het geloof.

De halmen buigen in de wind. Vanuit mijn auto zie ik de wind over de goudgele aren strijken, naar één kant. Heel sensueel.

De wind is een Bijbelse metafoor voor de Geest; in het Hebreeuws – de taal van het Oude Testament – de Ruach die alles tot leven, in beweging brengt. Zoals de halmen aangeraakt worden door de wind, zo kan diezelfde wind, de Geest, ons mensen aanraken, inspireren. Het is een wederzijdse ontmoeting, een uitnodiging mee te buigen naar God toe, te bidden met één mond.

Toch gaat het niet altijd zo.

Mensen buigen niet zomaar mee in de richting van God. Laat staan dat ze bidden met één mond. Het is soms gemakkelijker met alle winden mee te waaien. Dan is het nodig dat de wind, Gods wind, gaat opsteken. Dat hij niet een zachtstrelend briesje is, maar krachtig blaast.

De mensen worden door elkaar geschud, raken met elkaar in de klit om uiteindelijk weer met elkaar verbonden te worden. De franse tekst is speelser: “dans un heureux désordre ton esprit nous lie à tous et à chacun des tiens”. In een gelukkige wanorde verbindt jouw Geest (die van God) ons met iedereen en met elk van de jouwen.

Het kan ook gebeuren dat de wind hard gaat waaien in je persoonlijk leven. Meebuigen kan dan bijna breken worden. Een naaste kan je dan tot steun zijn zodat je niet afknapt.

In couplet 3 en 4 gaat het concreet over oogst. Het koren groeit om honger van mensen te stillen. Je kunt hierbij ook de vraag stellen: ’wat is de oogst van mijn leven? Dien ik tot voedsel? Hebben mijn inspanningen zin gehad? Het gaat bij oogst niet om grootse dingen, maar om stille aandacht, gebaren van liefde en zorg. Als de wind van God erover heen geblazen heeft, zal ons leven vruchtbaar zijn. “Dan bloeit de aarde in uw zonneschijn… en vrede zal er zijn”.

Over een paar weken vangt een nieuw jaar aan. Het is méér dan het omslaan van een kalenderblad.

Het is ook een uitnodiging om te zaaien in vertrouwen, te investeren in wat goed en mooi is. Een nieuw begin om de grond van ons leven los te maken, zodat iets wortel kan schieten.

Daar is misschien lef voor nodig. En elkaar! Elkaar bemoedigen, en vertrouwen dat juist in stilte zaad van vrede en liefde kan ontkiemen.

Doorkijkje

Het is een prachtige abdij, die van Fontfroide, in de regio Languedoc waar ik ook een thuis heb. De abdij werd in 1093 gesticht op grond die door de graaf van Narbonne aan enkele benedictijner monniken was geschonken. De abdij ontleent haar naam aan de nabijgelegen bron, de Fons Frigidus, oftewel Koude Bron. Naast water vonden de monniken in de omgeving ook hout en steen voor de bouw van het klooster. De abdij ligt verstopt in groene bossen met typische mediterrane planten. Alle wegen eindigen daar. Fontfroide ontwikkelde zich pas echt in 1145 en sloot zich aan bij de Orde van Cisterciënzers. De cisterciënzer monniken, onder leiding van Sint Bernardus van Clairvaux, streefden naar een terugkeer naar de zuiverheid van de Regel van Benedictus en pleitten voor armoede, gebed en architectonische soberheid. De eenvoud inspireert tot stilte.

Als je de abdij binnengaat, stap je als het ware in een andere wereld. Natuurlijk speelt de vraag door mijn hoofd wat jonge mannen bezield heeft om hier in afzondering en onderworpenheid je leven verder door te brengen.

Maar al gauw word ik opgenomen in de sereniteit van het gebouw. Hier is eeuwenlang gebeden tot God, helaas al decennia niet meer. Maar de sobere lijnen van de architectuur zijn gebleven en die voeren je toch tot bidden. Wat dat ook precies mag zijn.

Op een zondag ging ik naar de kerk in de buurt van mijn dorpje. Uiteraard katholiek. Ik ontmoet er altijd wel bekenden. Vergeleken met een paar jaar terug zijn er maar weinig mensen. En vanaf het eerste moment merk ik dat het conservatiever is geworden, een stap terug in de tijd. De pastoor, een gast, had het zich gemakkelijk gemaakt. Hij improviseerde kort op de evangelielezing van de zondag. Vervolgens de viering van de eucharistie (alleen de hostie wordt gedeeld, geen wijn) waar ik overigens gewoon aan mee mag doen, ook al ben ik protestant. Ach, de soep wordt niet zo heet gegeten als het door Vaticaan wordt opgediend. We zongen liederen die je zo mee kunt zingen op opgewekte toon. Overigens kenmerkend voor de Franse kerk, piëtistisch van inhoud. De hele liturgische beweging zoals Nederland die gehad heeft en nog kent, is aan Frankrijk grotendeels voorbijgegaan.

De viering was gemoedelijk, gaat er iets mis dan gaat er iets mis, geen spanning of alles wel op rolletjes loopt. Dat de kerk in mijn ogen ook nog lelijk was, een allegaartje van schilderijen en voorwerpen, ach, dat maakte niet uit. Zuidelijk katholiek? Franse slag? Bij de uitgang stelde ik me voor aan de gast-pastoor. Spontaan zei hij: ‘Goh, we hadden wel samen voor kunnen gaan.’ Spontane oecumene. Religiositeit in dorpse afmetingen, weliswaar verbonden met Gods ruimhartigheid.

Twee totaal verschillende gebedshuizen. Vreemd en vertrouwd tegelijkertijd. Zo’n eucharistieviering staat in feite ver van me af. Zo anders dan ik zelf gewend ben. En een monnikenbestaan – c.q. nonnenbestaan – zou niets voor mij zijn. Maar op beide plekken voel je dat mensen samen een verbondenheid hebben willen zoeken met de Eeuwige. En dat eeuwenoude verlangen is er nog steeds: tastbaar in gebouwen van vroeger, ondefinieerbaar soms in ons hart. Even rust vinden in een geheiligde ruimte.

 

Doorkijkje naar Pinksteren

Kerst spant de kroon, dan Pasen, maar Pinksteren krijgt veel minder aandacht. En dat betreft niet alleen de commercie. Eerlijk gezegd heb ik niet zoveel met Kerst, om het modieus uit te drukken. Pasen, ja absoluut, en dan betrek ik de hele Stille week erbij. Pasen raakt sterker aan mijn leven.

En Pinksteren? Met Pinksteren betrek ik graag de feestrol Ruth erbij. Het speelt zich af zeven weken na Pasen en op het joodse Pinksterfeest leest men de feestrol Ruth.

In Ruth gaat het om het gewone leven. De kunst is om iets van God in dat gewone te zien.

Maar als ik aan het Nieuwtestamentische Pinksterverhaal denk, dan komt een schilderij van de Duitse priester- kunstenaar Sieger Köder (1925-2015) dicht bij de betekenis van dit feest. Bij hem geen nadrukkelijke vlammetjes boven hoofden, ook geen neerdalende duif.

Maar wel veel rood, de kleur van vuur en hartstocht. Bij Köder zie je wat Pinksteren teweegbrengt. Ik neem u mee naar het schilderij. Links en rechts onderaan heeft Köder uitgebluste, kleurloze mensen geschilderd. Hun hoofd rust in hun handen, onzekere blikken. De andere mensen op het schilderij hebben daarentegen kleurrijke kleding aan, en stralen activiteit uit.

Dominant is de man middenin. Hij is in het rood afgebeeld en houdt een groot opengeslagen boek vast. Op de bladzijde staat in het Grieks “evangelie”, dat betekent het goede nieuws. Het goede nieuws is door Jezus in de wereld gebracht. De man stelt de discipel Petrus voor die na de uitstorting van de Heilige Geest een bevlogen en bewogen toespraak houdt (Handelingen 2:14 e.v). Als we verder kijken wie er allemaal uit de ramen “hangen”, dan ontdekken we de protestantse predikant Dietrich Bonhoeffer die in kamp Flossenbürg op gezag van Hitler geëxecuteerd is. Hij is in toga en houdt de bijbel vast. Zijn verzet tegen het naziregime kwam voort uit geloof. In het midden staat de patriarch van Constantinopel Athenogoras. Hij zette zich na WO II enorm in voor de oecumene. Hij draagt de paaskaars: Jezus, het licht van de wereld.

De man rechts met wijd uitgestrekte armen is paus Johannes XXIII.

Deze paus zette de ramen van de kerk open door het bijeenroepen van het Tweede Vaticaans Concilie. Velen hoopten dat er eindelijk een frisse wind zou gaan waaien, vernieuwingen tot stand zouden komen… Boven zijn hoofd een spandoek met de titel van zijn encycliek “Pacen in Terris”, vrede op aarde.

Deze drie mensen hebben zich door de Heilige Geest laten inspireren, hebben zich met enthousiasme ingezet voor vrede en gerechtigheid in Gods Naam. Ze willen ook een vernieuwd gezicht van kerk-zijn laten zien. Uit andere ramen hangen jonge mensen, én zwaait met een spandoek “schaloom”, vrede. Links een spandoek met het Christusmonogram. Bovenaan schilderde de kunstenaar een leeg raam. Hij zei hiervan: “het is het belangrijkste venster, het is het venster van de toekomst. Wie zouden we daarin willen plaatsen, en met welk voorwerp of symbool? Er is hoop want Jezus gaf zijn geest niet alleen toen op de eerste Pinksterdag aan zijn volgelingen, maar ook vandaag en in de toekomst.”

Het is een vraag ook aan ons. Waar plaats ik mijzelf in het schilderij? Wat wil en kan ik uitstralen?

In ieder geval heeft Pinksteren te maken met het lef om deuren en ramen open te zetten. En dit te doen met enthousiasme, esprit, geestkracht. We hoeven niet allemaal dezelfde taal te spreken, als we maar wel met respect naar elkaar luisteren en de wind door onze haren laten waaien!

Doorkijkje voor Pasen

Het licht van het begin. Op Pasen begin je opnieuw, je begint vooraan bij de eerste dag, de eerste dag van de week, bij de moed van het begin. Daarom wordt met Pasen ook vaak over de schepping gelezen en daarbij het verhaal van de opstanding. Het licht gaat over ons op in de morgen van deze eerste dag. Het wil ons omvatten en dragen. Op tillen uit onze verlorenheid, ons zichtbaar maken voor elkaar. Het licht doet ons elkaar aankijken. We kunnen gaan leven in het vertrouwen dat het licht het eerste en het laatste woord is van de Levende.

Maar duisternis is om ons heen. We hoeven maar om ons heen te kijken, kranten te lezen, de tv aan te zetten en we zien dat het kwaad nergens voor terug schrikt. Hoe zouden we ons kunnen toevertrouwen aan het licht? Ook de evangelist Johannes laat niet na te vermelden dat het nog donker was toen Maria uit Magdala op de eerste dag van de week naar het graf van Jezus ging. Johannes spreekt veel over ‘licht’ en ‘duisternis’, het moet wel meer betekenen dan een terloopse tijdsaanduiding. Het is de duisternis van ‘geen weg meer zien’. Soms lijken er nauwelijks meer wegen te zijn naar vrede in onze wereld. Eerlijke onderhandelingen halen weinig of niets uit. Duisternis overheerst. Wat is dan nog Paasgeloof? Dat is ‘en toch’ zeggen. Wegen willen gaan om elkaar te bereiken, wegen vinden waar geen wegen meer lijken te zijn. Pasen zegt dat het niet hoeft te blijven steken bij het doodse, bij de gemiste kansen, de mislukte pogingen. Dat er met God altijd weer nieuwe wegen gevonden kunnen worden. ‘Met God’, daar bedoel ik mee, dat we erop mogen vertrouwen dat het spoor van Mozes, de profeten, van Jezus en allen die dit spoor gevolgd hebben, dat dit uiteindelijk niet doodlopend zal zijn. Het is een spoor van liefde, liefde sterk als de dood. Paasgeloof wil zeggen dat je blijft vertrouwen dat het licht ons blijft aanstoten.

* afbeelding Mark Rothko (foto Ruth van der Waall)

Een paleis in de tijd

De kunst van geloven, geloven in de kunst. Dit is het jaarthema van de ERN. Ook kunst kan een boodschap uitdragen, inspireren, uitdagen. Er is een relatie tussen de taal van geloven en de taal van kunst.

Daarom ga ik graag naar exposities. Ook vind ik het boeiend in steden/dorpen rond te lopen om te ontdekken hoe de geschiedenis voortleeft in het heden, hoe mensen toen leefden en hoe nu, om daar een beeld van te krijgen.
Onlangs was ik een paar dagen in Berlijn, een stad waar door vele kieren de geschiedenis van Nazi-tijd en DDR nog doorsijpelt. Bijzonder is dat in de aanloop naar en tijdens de oorlog kunstuitingen doorgaan. Dat is van grote waarde omdat zowel bij geloven als bij kunst het om een andere manier van kijken gaat. Kijken om te gaan zien. Na mijn excursie naar Berlijn kwam ik opeens de naam van kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman tegen. Ik pakte vervolgens het boek “Chassidische Legenden” uit mijn kast, een door Werkman geïllustreerde bundel verhalen van de joodse filosoof/bijbelkenner Martin Buber. Deze is uitgegeven midden in de Tweede Wereldoorlog bij de illegale uitgeverij De Blauwe Schuit, die Werkman samen met een paar anderen had opgezet als verzet tegen het nazisme. Dat heeft hem ook zijn leven gekost, want vlak voor het einde van de oorlog is hij gearresteerd en met negen anderen op 10 april 1945 gefusilleerd door de Duitsers. Één van de afbeeldingen gaat over het vieren van de Sabbat. Werkman wilde juist in oorlogstijd en tijdens het verzet laten zien wat kernwaarden in het leven zijn. Want waarom vier je sabbat?

Abraham Joshua Heschel zegt hierover: “Heschel spreekt over sabbat houden als het binnentreden van het ‘paleis in de tijd’ en over de sabbatdag als de ‘architectuur van de tijd’. Zes dagen per week begeven we ons in de ‘wereld van de ruimte’. Dat is de wereld van het materiële bestaan, van economie en techniek. Dan zijn we in de ban van het overwinnen van de ruimte; mens-zijn is erop gericht ‘onze macht in de wereld van de ruimte te versterken’. Echter, één dag per week is er om de ‘heiligheid in de tijd’ te vieren en het paleis van de tijd binnen te treden – dat is de sabbat.”

Essentieel is ook dat we leren leven vanuit de rust. Niet keihard zes dagen vliegen en draven en vervolgens hijgend een dagje lusteloos zijn, nee, de kracht van het vieren, het genieten van de rustdag neem je mee de week in.

Laten we een blik werpen op de afbeelding “Sabbat der eenvoudigen”.
Een eenvoudige tafel, een stoel en een gele driearmige kandelaar en vooraan een dansend paar.. Normaal hoort er wijn op tafel te staan en liggen er twee sabbatsbroden (verwijzing naar het manna in de woestijn), en ander eten. Waarom deze ontbreken weten we niet. Misschien vanwege de honger in de oorlog? De lege stoel is in het joodse geloof bedoeld voor Elia die wellicht langs komt. Een lege stoel voor een onverwachte gast, voor de vluchteling en vreemdeling die een beroep doet op onze gastvrijheid. De kandelaar geeft overvloedig licht. Het licht dat de duisternis verjaagt, denk aan Genesis 1. Er is groen in de kamer, kleur van nieuw leven, de man is in zwart gekleed, de vrouw draagt al groen en pakt de hand vast van de man. Zo gaan ze samen dansen.

Twee hoekige mensen, hij oud donker en stram, zij ook oud, maar speels, in groen gekleed, zij dansen de zevende dag, tegen een achtergrond van licht. Zij dansen omdat er licht is in hun huis, dat zij elkander kunnen zien; zij dansen dat er groot licht beloofd is, dat er een toekomende wereld zal zijn. Zij dansen de vreugde van die wereld, waar zwoegen en bezitten en bezit vermeerderen, rijkdom, armoe en tranen, niet meer zullen zijn. Zij dansen de bestemming van de mens: dat hij niet om te jagen en gejaagd te worden in het leven geroepen is… *

Het licht van de sabbat proberen vast te houden, vierend en dansend, elkaars ogen zien, zodat we niet ten onder gaan aan vruchteloos pessimisme en somberheid. Samen een paleis in de tijd bouwen in het nieuwe jaar.

*Huub Oosterhuis schreef deze regels bij de prent ‘Sabbat van de eenvoudigen’ van H.N Werkman.

Wonen in de stilte

Stilte heeft allerlei toonaarden. Als ik alleen in alle vroegte met mijn hond, op het wijdse strand van Terschelling loop, is het er stil. Heel stil. Je hoort weliswaar het geluid van de golven, de wind, maar dat is anders.

Dwalend door de bergen heeft de stilte weer een andere klank. En als ik ‘s avonds laat in mijn tuin in het zuiden naar de sterrenhemel kijk, is de stilte bijna tastbaar. Al hoewel ik heel graag zing en van muziek kan genieten, werk ik altijd in stilte.

Ik houd van stilte. Door stilte ervaar je ook meer je zintuigen. Je ruikt opeens meer, je hoort andere geluiden, misschien hoor je je harteklop, je voelt je ademhaling… Stilte kan meer zeggen dan woorden. Als twee mensen van elkaar houden – en dat kunnen partners zijn of dierbare vrienden, maar ook ouder- kind , en ze kijken elkaar in de ogen, dan gebeurt er iets, dan raakt dat je hart. Omdat het op dat moment stil is.

En dat geldt ook voor stilte in een kerk en in de kerkdienst. En dan niet even een toevallig moment tussen het ene en het andere liturgisch moment, maar bewust gezochte stilte. Zomaar stil zijn tot God. Woordeloos bij elkaar zijn. Niet alles invullen voor en over God, nee, de Ene de ruimte geven. In stilte komen dingen, misschien wel God, naar je toe. Stilte is in de Bijbel een manier, of misschien zelfs een plaats om God te ervaren. Maar ook elkaar. In stilte ontstaat weerklank.

Gezamenlijke stilte in de kerkdienst, ik beleef dit als heilige momenten. Stilte na de Schriftuitleg om de woorden in je lijf en ziel toe te laten.  Een wonen in de stilte. Stilte zo broodnodig in onze lawaaierige cq gewelddadige samenleving.

Laten we de stilte koesteren, in het kleine Parijse kerkje aan de Boulevard Auriol.

Communicatie en kwetsbaarheid

Er wordt wat af gecommuniceerd… denken we… Maar is dat zo?
Want communicatie veronderstelt kwetsbaarheid en daar kun je toch vraagtekens bij zetten.
In het verhaal van God en mens is communicatie het uiteindelijke, dat waar het ten diepste omgaat. In de beeldtaal van de Bijbel loopt alles uit op een feestmaal. God zit met zijn mensen aan tafel en is zo in gemeenschap met hen. Het Rijk van God wordt in de Schrift niet beschreven in termen van macht, maar in termen van ‘gezel-ligheid’. God als gezel van de mensen. Ook kun je zeggen: het is God begonnen om communicatie met de mensen. “In het begin schiep God de hemel en de aarde”, en Hij schiep door te spreken, door zijn woord. Heel de geschapen werkelijkheid is door dat spreken van God tot stand gekomen. Daardoor zou je kunnen zeggen dat de mens erop gemaakt is om God te ontmoeten, op onderlinge resonantie.
We zijn van meet af aan bedoeld voor de gezel-ligheid met God, dwz. op elkaar afstemmen, aandacht hebben, het leven in al zijn toonaarden delen.
Uit de Schrift blijkt ook hoe kwetsbaar God zich hierdoor gemaakt heeft. In de gelijkenis van de onwillige genodigden (Mt 22:1-14) wordt Gods invitatie op een grove manier afgewezen. Mensen kunnen stom blijven voor God. Ze kunnen zich afwenden en zich door andere appèls laten betoveren. Influencers zijn van alle tijden. Echte communicatie maakt altijd kwetsbaar. Immers: je laat jezelf zien, en je kunt afgewezen, verworpen worden. Dat gebeurde ook met degenen die namens God communiceerden omwille van liefde en gerechtigheid. Ik denk aan bijv. Amos, Jesaja, Jezus. Zij brachten hun boodschap niet in een eenrichtingsverkeer, niet vanuit een machtspositie of per decreet zoals vele machthebbers dat doen. Zij deden het in oprechte kwetsbaarheid, als mensen van God.
Hieraan getoetst vrees ik dat onze media nú nauwelijks nog communicatiemiddelen mogen heten. Er spelen vaak zoveel commerciële en politieke belangen mee. En ook in allerlei praatprogramma’s is communicatie ver te zoeken. Ze zijn dikwijls niet op zoek naar antwoorden, maar op een echo: hetzelfde geluid terug.
Toeleggen op communicatie is een kunst, een kunde, zelfs een spirituele opdracht. Het vraagt een aandurven van kwetsbaarheid om je over te geven aan Gods gezel-ligheid. Waarbij tijd geen rol speelt. Belangeloos er voor elkaar zijn. Het mooie van communicatie is dat het niet alleen iets is wat met je hoofd doet, met je mond, maar dat er een dialoog gevoerd wordt met de rest van je lichaam.

Pasen: Zien

Wie het begin van Matteüs 28 leest en herleest, zal het opvallen dat zowel de engel (de boodschapper) als Jezus zeggen: naar Galilea.
De engel zegt: naar Galilea, dáár zul je Jezus zien. En alsof dat nog niet genoeg is, zegt Jezus het zelf ook nog eens: naar Galilea, dáár zul je me zien.

In Galilea heeft zich het grootste deel van het leven van Jezus afgespeeld. Daar heeft Hij op zijn eigen wijze ‘de wet en de profeten vervuld’. Op zijn eigen wijze heeft Hij de tien liefdesregels die God aan Mozes gegeven had, de richtlijnen tot echt leven (de Tora) geconcretiseerd. Woorden werden ook daden.
En nu wordt er door de engel aan de vrouwen gezegd: ‘Hij is opgewekt’, dat wil zeggen, alles wat Hij gezegd en gedaan heeft. Dat kun je en mag je niet zoeken in het graf… Als je het daar gaat zoeken, blijft het dood… Maar Hij – alles wat Hij gezegd en gedaan heeft – dat is levend.
Dus: wat er gebeurd is in Kapernaüm, de roeping van de leerlingen aan de oever van het meer van Galilea, de woorden gesproken op de berg, de storm op het meer…
Dat alles mag je niet zien als dood, dat alles mag je niet beschouwen als verleden tijd. Want Hij is opgewekt, wat Hij deed en leerde leeft door. Dat is wat je zien zult. Als je dat ziet, zie je Hem.

Troost en tederheid

“Weet u, soms moet ik een warme douche nemen om zoiets als een arm om mijn vermoeide schouders te voelen”, zei iemand tegen mij. We hadden een gesprek over troost en tederheid.
Toch wel herkenbaar als je ‘s avonds alleen thuiskomt, moe en leeg. Je verlangt dan naar een aai of alleen maar een warme blik. Eigenlijk zitten we vaak op elkaar te wachten, te wachten op een gebaar van troost en bemoediging. Troost en bemoediging zijn echte Adventswoorden. We worden ertoe opgeroepen door Jesaja: “Troost, troost mijn volk, zegt jullie God…” Dat klinkt wat afstandelijk, maar het gaat om iets dat dichtbij is: een hartelijk gebaar, hé, je staat er niet alleen voor. Want hopen en vertrouwen kun je niet in je eentje. Je hebt elkaar daarbij nodig. Ja, ik denk echt elkaar, en niet enkel elkaars inzicht in de toekomst of zo. Hopen is niet de toekomst kennen, maar samen met anderen in vertrouwen staande blijven.
Om deze hoop gaat het in de tijd voor Kerst, de Advent: uw God is op komst. Maar niet een God die even alles komt regelen, op een zelfverzekerde manier. Huub Oosterhuis heeft dat mooi verwoord in het lied “Uit uw hemel zonder grenzen, komt Gij tastend aan het licht, met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen” (lied 527). Aarzelend, maar onweerstaanbaar wint Gods licht het van onze antraciete nacht. Stil wil Hij “God met ons” zijn, Immanuël. Een kracht in ons worden om de toekomst vorm te geven die liefdevol, speels en kleurrijk is.
We zitten vaak op elkaar te wachten, op een gebaar van troost en bemoediging waarin we de aanwezigheid van God mogen vermoeden. We moeten het elkaar laten voelen.
De klassieke Adventsliturgie gebruikt een prachtig beeld voor Gods komst in deze wereld: Rorate Coeli, Dauwt hemelen… laat dalen gerechtigheid uit de wolken (o.a lied 432a). Dauw is zacht, fris.
En dát dan uit de hemel. God nadert niet in de storm, maar in de dauw, in de milde regen. Zo wil Hij onze vermoeide, zware schouders verkwikken, ons doen leven in hoop en vertrouwen, en ons helpen samen staande te blijven.

Mogen wij God wel in het vage laten?

Regenboog boven de Grande RueIk weet precies welke boeken thuis in het zuiden staan, maar als ik dan na lange tijd weer voor die kasten sta, word ik opnieuw verrast en kijk blij rond alsof ik in een boekwinkel ben. Mijn ogen dwaalden langs de titels om inspiratie op te doen voor het nieuwe jaarthema ‘Wat of wie draagt je? Resonantie en Respons’. Ik pakte het boek dat mijn man Hein Schaeffer samen met mij schreef ‘Geloven in niemandsland, naar een eigen spiritualiteit.’ (1988, uitg. Ten Have), en dat van rabbijn Jonathan Sacks ‘De kracht van ideeën’ (2022 uitg. Kok ).

Een nieuw seizoen van de ERN, een ERN die steeds kleiner wordt en die net als op zoveel plaatsen, meegaat op de stroom van ontkerkelijking. En toch… met alle vezels in mijn lijf blijf ik fiducie hebben in ankerpunten, moderne maar ook oude ankers die menige vloed hebben weerstaan. Bladerend in genoemde boeken bedacht ik me dat vragen over wie of wat je draagt, nooit passé zijn. Ze worden steeds opnieuw gesteld en men blijft zoeken omdat het verlangen naar draagkracht sterk is.

Ik citeer uit ‘Geloven in niemandsland’: Mogen wij God wel in het vage laten? De ernst van de wereldsituatie vraagt er om dat ook door onze generatie gepoogd wordt God te ontdekken als een bron van kracht en hoop. Hoe leren wij ons eigen woord over God spreken? We verkeren in een niemandsland. Dat is geen slecht uitgangspunt, het kan zelfs vruchtbaar zijn….. We kunnen de verantwoordelijkheid voor ons geloof niet uit handen geven. Het gaat om wat opwelt uit onze eigen bron…
We hebben weet van het eindeloze drama van het bestaan: tasten naar licht, huilen, hunkeren, hopen en de vraag naar ‘religie’ (religare=verbinden, relegere=opnieuw lezen) blijft. Is er iets dat ons vasthoudt, draagt, ons leven opneemt in een verband? En dan laat ons niet los het verhaal van mensen die een oproep hebben gehoord en die op weg gegaan zijn ‘zonder te weten waarheen’, maar wel naar een betere wereld. Zoals Sara en Abraham. Het gaat om het moeilijke verstaan en het koersen op de stem zoals Hans Andreus dicht in ‘Gelovig’ :

De verste grenzen en onbegrensd hierin een mens,
dat is mijn basiliek.
Ik snijd de profielen der doden;
ik verstoor het evenwicht en ik herstel het;
ik weet dat degeen die een pijl is van mildheid,
doel treft. In grove trekken
is dit mijn kennis. Ik schuw de secte
en zie de anderen. Uit noodzaak
onderzoek ik het heelal.
Maar moeilijker dan dit te verstaan
is de stem te verstaan die men altijd opnieuw moet kiezen.
En moeilijker dan leven
is niet af te wijken van die stem
en het geduld te leren.

Wij zijn de eersten niet die die stem horen klinken en er steeds opnieuw voor moeten kiezen en het geduld te leren… We zouden leven in een zwijgend universum als niet om ons heen het vermoeden levend wordt gehouden dat er iets tot ons gezegd is en wordt. Ook in het niemandsland komen we kerken tegen, zij het niet meer gelukkig als ‘heer en meester van ons geloof’, maar ze dragen in de grond een boodschap mee die niet mag verstommen Stemmen die ons het één of het ander toeroepen, horen we de hele dag. Maar zeldzaam is de stem die ons zegt dat wij ten diepste worden bemind en door die liefde worden voortgedragen. Het geeft je echter niets in handen waarmee je beveiligd bent tegen de hardheid van het leven. Het lijkt een onmenselijke opgave om je er toch aan toe te vertrouwen, en de menselijke rede te laten zwichten voor de stem van de liefde. Tegelijkertijd is het het meest menselijke wat je steeds weer kunt doen.
Tot zover een citaat uit het boekje van mijn man en mij.

Met God door het leven gaan, is steeds weer die stem proberen op te vangen met de boodschap van bemind worden, te laten dragen, te laten resoneren èn er respons op te geven.

Een nieuw kerkelijk seizoen gaat beginnen. We hebben elkaar nodig. Om te vertellen of en hoe die stem ons draagt. En we kunnen proberen een zintuig te zijn waardoor een ander zich gedragen weet. Dan is ‘religie’ (kerk) niet een begrip waar macht en dogmas aan kleven, maar dat zij te maken heeft met medemenselijkheid en trouw, met het heilige. ‘Geloof is het leven dat geleid wordt in het licht van de liefde’ (Oliver Sacks).